Train no. 211 from Bangkok

Train no. 211 coveniently leaves Bangkok’s central Hua Lamphong station at midday. That leaves time to slowly find my way through the city’s traffic jams, slowly drink coffee at the balcony of the station’s waiting hall. A station hall as station halls should be, with an arched roof.

It’s crowded. But there is a Thai calmness in the air. No noisy or running people. Subdued voices. Every now and then a message about an arriving, departing or delayed train.

Distinct Thai-ness comes from the royal portrait, and from the orange robed monks in their separate waiting area. Not far away a group of ethnic Malay passengers, with the women wearing head scarves, is waiting for a train to the Islamic provinces in the deep South.

There is a window for same day tickets. No queue. No passport needed. A dollar and a half for the 200 kilometres. Third class only.

Departure. Slow clatter of steel wheels, steel tracks, steel carriage couplings. Poor housing hugs the tracks, from the train one can almost touch the roofs of corrugated iron and plastic. Railway neighbourhoods are slummy the world over. But here it’s a slum with the red, white and purple of bougainvillea.

We take an hour to cover the 25 kilometres to the old Don Mueang Airport, still within the city limits. Then we gather a bit of speed.

The conductor announces himself with the click of his pliers. He adjusts his glasses so he can read my ticket. ‘Nakhon Sawan’, he says and looks up. He recognizes me, I recognize him – from a previous ride.

The storks show up early this time, before we get to Ayutthaya, old capital with temple ruins where the tourists get off the train. There are rice fields in every possible stage, from only just sown to ready to be harvested, bright green – fresh green – yellow-green – yellow.

I doze off in the afternoon heat, wake up, go catch the wind in the open door.

We often stop, at charming small old stations. At platforms a flower bed or potted plants; a railway official with a red and a green flag; signs with the distance to the next and the previous station, down to the metre. Names like Phon Thong, Nong Pho, Hua Ngiu – villages one never hears about. Schoolchildren get on, and off again.

Late in the afternoon, best part of the day. Soft light. I’m wide awake and alert. My sense of being on the road, my sense of movement, of freedom is strongest.

It’s a perfect day of travel. The day after a two month stay in China, without a care in the world.

At dusk we reach Nakhon Sawan.

[Travel notes from pre-corona times]

Trein nr. 211 uit Bangkok

Trein nr. 211 vertrekt midden op de dag vanaf Bangkoks centrale station Hua Lamphong. Gunstig tijdstip – ik zoek op mijn gemak mijn weg door de verkeersinfarcten van de stad, drink op mijn gemak koffie op het balkon in de stationshal. Een stationshal zoals het hoort, met een boog als overkapping.

Het is er vol. Maar er hangt Thaise kalmte. Geen luidruchtige of rennende mensen. Geroezemoes. Af en toe een omroepbericht over een vertrekkende, arriverende of vertraagde trein.

Typerend Thais tafereel: monniken in fel oranje in hun afgeperkte wachtruimte. Verderop een groep etnisch Maleise passagiers, de vrouwen met hoofddoek, in afwachting van een trein naar de islamitische provincies in het diepe Zuiden.

Er is een loket voor same day tickets. Geen rij. Geen paspoort nodig. Anderhalve dollar voor de 200 kilometer. Er is alleen een derde klas.

Vertrek. Langzaam gekletter van stalen wielen, stalen rails, stalen wagonkoppelingen. Povere behuizing vlak naast het spoor, afdaken van golfplaat en plastic die je uit de trein bijna aan kunt raken. Spoorbuurten zijn wereldwijd achterbuurten. Maar hier is het een achterbuurt met het wit, rood en paars van bougainville.

We doen een uur over de 25 kilometer naar het oude Don Mueang vliegveld, nog steeds in de bebouwde kom. Dan maken we wat vaart.

De conducteur kondigt zijn komst aan met het geklik van zijn kniptang. Hij verschuift zijn bril om mijn kaartje te kunnen lezen. ‘Nakhon Sawan’, zegt hij en kijkt op. Hij herkent mij, ik herken hem – van een eerdere rit.

De ooievaars zijn er vroeg deze keer, al voor Ayutthaya, oude hoofdstad met tempelruïnes waar de toeristen uitstappen. De rijstvelden liggen er in verschillende stadia bij, van nog maar net gezaaid tot bijna rijp, felgroen – frisgroen – geel-groen – geel.

Ik val in slaap in de middaghitte, schrik wakker, waai uit in de open deur.

We stoppen vaak, op de charmante oude stationnetjes van de Thaise spoorwegen. Op de perrons een plantsoentje of bloempotten; een spoorbeambte met een rode en groene vlag; borden die de afstand tot het vorige en volgende station aangeven, tot op de meter nauwkeurig. Namen als Phon Thong, Nong Pho, Hua Ngiu – dorpen waar je nooit van hoort.

Schoolkinderen stappen in en wat verder weer uit.

Laat in de middag, het mooiste deel van de dag. Zacht licht. Ik ben klaarwakker. Raak in een on the road roes, door de beweging, de vrijheid, het gevoel onderweg te zijn.

Prachtrit. De dag na een verblijf van twee maanden in China, volstrekt zorgeloos.

Als het donker wordt bereiken we Nakhon Sawan.

[Reisnotitie uit de pre-coronatijd]

De eindejaarsparty van C-Trip Yunnan

Ik verzeilde op de eindejaarsparty van C-Trip Yunnan, in een congrescentrum aan de rand van provinciehoofdstad Kunming.

C-Trip is een enorme reisonderneming. Vluchten, treinkaartjes, hotels, tours – wat je ook zoekt, ze handelen erin. Winst over 2018 4,5 miljard US $, aantal werknemers 45.000. Het verhaal gaat dat het nog grotere Nederlandse Booking.com deze gigant over wil nemen. Oranje boven!

De afdeling Yunnan is maar een klein onderdeel van het concern. Maar er waren toch zo’n duizend mensen op het feest.

Ik had weinig te zoeken in dit milieu, waar men kennismaakt met de vraag of je ‘buyer’ of ‘seller’ bent, en waar verkoopcijfers de conversatie bepalen. Voor mij is een ‘markt’ een plek waar etnische minderheden in hun klederdracht samenkomen.

Maar het was interessant om mee te maken – een evenement met speeches, muzak, en een lichtshow in plaats van gewone belichting; met de uitreiking van bonussen en trofeeën aan C-Trippers die het goed gedaan hadden in 2019; met de verwelkoming van het recent verworven Qunar (letterlijk ‘Ga waarheen?’) in de C-Trip familie.

De hoogste baas hield een peptalk waarin de doelen voor 2020 benoemd werden, eenvoudig samen te vatten als: Meer! Hoorde ik in zijn speech de Chinese Droom langs komen, en hoorde ik iemand aan mijn tafel grappen dat die Chinese Droom best vermoeiend was?

De zaal was tijdens de lange uren die het duurde vooral aan het keuvelen, en in de weer met zijn mobiel. Als er weer een verloting kwam veerde men op, er waren reizen en reisjes winnen, je kon twee weken naar Japan of de USA, of je kon op cruise, maar als je pech had kwam je niet verder dan Halong Bay.

Het avondeten werd opgediend. Vlees van eend, varken en koe, maag van onduidelijke afkomst, schijfjes rauwe vis met Japanse saus, een vis die wel in een pan was geweest, wat groente, en bloemencakejes. Alles goed klaargemaakt. Wel alles in afgepaste hoeveelheden, de bediening kwam geen tweede keer langs. Zo was het ook met de drank, twee flessen Chileense wijn per tafel, meer viel nergens te halen. Ik zat goed, aan mijn tafel dronken de meesten liever cola.

Het evenement sleepte zich de avond in. Op het podium meer van hetzelfde, huldigingen, spreekbeurten, personeelsleden die een liedje zongen, een dansje deden. Het werd eentonig. Het werd koud. Al is het warmer dan andere jaren, het blijft winter in Kunming, zonder verwarming.

Een enkeling hield het voor gezien. Maar de meesten wachtten de slotverloting af, er waren high end smartphones te winnen. Ik zat niet in de trekking. Om mee te doen moest je in de lobby een QR-code scannen. Om een smartphone te winnen moest je een smartphone hebben. Ik had er geen. De mijne was recent gecrasht, ik had hem nog niet vervangen. Het leven is niet eerlijk.

Eindelijk, na tienen al, de trekking voor de tweede prijs, een topmodel van Huawei.

En toen voor de hoofdprijs, een iPhone 11. De trekking werd door een computer gedaan. De deelnemers flitsten in razend tempo over een scherm op het podium. De spanning steeg. De winnaar was…. de manager die het hele evenement had gepresenteerd. Verwarring, gelach. Doorgestoken kaart, dacht ik. De trekking werd overgedaan, nu was iemand in de zaal de gelukkige.

Even later was iedereen op weg naar huis.

Het was leuk veel oude vrienden en bekenden te zien. Het was een goede dag.

Ik was er op uitnodiging C-Trip dochter Baishitong

The New Year’s Eve event of C-Trip Yunnan

pieterneele | 13 January, 2020 14:34

I ended up at the New Year’s Eve event of C-Trip Yunnan, held in a convention center in provincial capital Kunming.

C-Trip is a colossal travel company. Flights, train tickets, tours, hotels – they do it all. Total revenue over 2018 4.5 billion US$, total number of employees 45.000 . The Yunnan province  branch is much smaller, but there were still about a thousand people at the party.

It wasn’t my usual environment. Introductions came with the question whether you’re buyer or seller, talk was of sales figures. To me a ‘market’ is a place where ethnic minorities gather in traditional dress. But it was fun to attend.

There were speeches and kitschy music and a light show. Bonuses and trophies were handed out to C-Trippers who performed well. Recent acquisition Qunar (literally ‘Go where’) was welcomed to the C-Trip family.

There was a peptalk by the CEO, with plans and intentions for 2020 that could simply be summarized as: More! I couldn’t follow it in all its detail, but was the Chinese Dream mentioned in his speech? And did I hear someone at my table joke that the Chinese Dream was quite tiring?

Things went on and on. People mostly busied themselves with their phones, had a chat. A sudden rise in interest for the lottery. You could win trips. Two weeks to Japan or the USA, or a cruise. If less lucky you only got to Halong  Bay.

Dinner was served. Duck and beef and pork. And stomach of unclear origin. Slices of raw fish in Japanese sauce, and a braised fish. Vegetables and flower cakes. All in fixed amounts per table though, there were no second servings. Same for the drinks. Two bottles of Chilean wine per table, no more. I was lucky, at my table most prefered Coke.

The event dragged on into the evening. Out on stage it was more of the same. Awards, talks, a bit of song and dance. By now it took too long. It got cold, it is a Kunming winter after all, without heating.

A few left. But could you really? We were still waiting for the main lottery prize, a high end smartphone it was rumoured.

I wasn’t in the draw. To join you had to scan a QR code in the main lobby. To win a smart phone you had to have one. I didn’t, mine recently crashed and I didn’t yet replace it. Life ain’t fair.

At last the draw for second prize, Huawei’s top model phone.

I was there on the ticket of my associates at C-Trip daughter Baishitong

And then for first prize, an iPhone 11. The draw was computerized, on a screen all the entrants flashed by in super quick succession. Anticipation built. It was won by …. the manager who had presented the whole event. Confusion, laughter. I guess it was prearranged.

The draw was redone. This time it made the day of someone in the audience.

Soon after the hall was empty, everyone made their way home.

It was a pleasure to see many old friends. It was a good day.

30 years ago today on January 26, 1989, I first set foot in China

30 years ago today on January 26, 1989, I first set foot in China. 

I followed the backpacker’s trail of the day. Hongkong, Guangzhou, Yangshuo, Yunnan, Leshan, Chengdu, Xi’an, Beijing. I still let Lonely Planet dictate my travel routes. In fact, coming across their first China guidebook in a guesthouse in Indonesia a few months before had made me come to China in the first place. 

It wasn’t easy. It was a struggle to get a ticket for a bus or train, a bed in a hotel. The towns were mostly drab and grey. It was frustrating at times, but fascination won out big time, fascination with the masses of people, the endless bus and train journeys, the size of Beijing and its boulevards and monuments, the curiosity of the people. 

Little could I know that I would return to the country countless times. That I would visit countless places, known at first, off the beaten track later. That I would be a tour leader in China. That I would circle the globe several times, distance-wise, on Chinese hard sleeper trains. That I would one day learn the language. That I would live in Kunming.

Nor could I imagine the enormous changes that would come to China. Who could?

It has been a special ride. It still is.

Een staaltje incompetentie en nalatigheid van de NOS

Recent plaatste de NOS een filmpje uit Thailand op haar website waarin de politie 41 mensen uit een minibus voor 16 personen haalt. Dit onder de noemer ‘opmerkelijk’, en vergezeld van een luchtig Guinness Book of Records-achtig artikeltje.

Helaas heeft de redactie niet door dat we zitten te kijken naar de aanhouding van illegale Cambodjanen. De andere gezichten, de tweede taal die op de achtergrond klinkt, de dociele manier waarop de mensen uitstappen, de verordening op de grond te gaan zitten wat ‘normale’ passagiers nooit zouden moeten – wie bekend is met Thailand ziet meteen wat hier aan de hand is. En wie dat niet is maar wel goed kijkt snapt het ook.

Het filmpje vertoont trekken van ‘Middellandse Zee’ en van ‘Calais’: van migranten die in een overvol en daardoor gevaarlijk vervoermiddel zijn gestouwd, en van migranten die op zoek naar een beter leven ongezien proberen hun bestemming te bereiken (ongezien: er wordt in het donker gereisd).

De NOS, erop gewezen hoezeer ze de plank misslaat, corri…. Nee, de NOS doet helemaal niets. Ze laat het item ongewijzigd staan, ze handhaaft haar luchthartige toon bij een schrijnend verhaal over mensen in een benarde positie.

Als antwoord stuurt ze me een niemendalletje. De auteur van het bericht beschikte mogelijk niet over dezelfde achtergrondinformatie als iemand met uw Thaise ervaring. We hebben deze informatie aan hem doorgegeven, zodat hij daar rekening mee kan houden bij toekomstige gevallen.

Toekomstige gevallen? DIT item deugt toch ook niet, DIT item hoort toch ook verwijderd of hersteld te worden, DEZE illegale Cambodjanen in de verdrukking hebben toch ook recht op correcte berichtgeving en wat empathie?

De incompetentie is al erg. Willens en wetens de pijnlijke uitkomst van die incompetentie handhaven is nog veel erger. 

Zolang de NOS volhardt in haar opstelling kun je het item inclusief filmpje hier zien:

http://nos.nl/artikel/2133197-thai-proppen-41-mensen-in-klein-busje.html

En als ze tot inkeer komt en tot correctie overgaat, dan was dit de oorspronkelijke tekst:

In de Thaise hoofdstad Bangkok is een klein busje met 41 inzittenden door de politie van de weg gehaald. In de Toyota Hiace kunnen officieel maar zestien mensen.

Op een filmpje is te zien hoe de politie drie minuten nodig heeft om de inzittenden uit het busje te halen. De mensen staan op elkaar gepropt.

De Thai hebben met hun tripje geen record behaald. Vorig jaar werd in Rusland een andere Toyota, geschikt voor vijf inzittenden, door de politie van de weg gehaald. In die auto zaten ook 41 mensen. 

De Thaise wegen staan bekend als levensgevaarlijk. Per 100.000 inwoners sterven er 44 mensen in het verkeer.

Terzijde nog: ook de gemakzuchtige suggestie dat overvolle bussen op de Thaise wegen het relatief hoge aantal dodelijke verkeersslachtoffers veroorzaken is incorrect. Dat zal in Thailand eerder te wijten zijn aan factoren als alcoholgebruik, te hard rijden en het spaarzame dragen van bromfietshelmen. Onverantwoord volle voertuigen komen in het reguliere Thaise verkeer nauwelijks meer voor.

(Plaatsing van deze blog uitgesteld tot na de eerste rouwmaand vanwege het overlijden van de Thaise koning.)

Langs de oevers van de Yangtse???

Korte ingezonden brief, verstuurd naar de VPRO-gids, want het is toch gek als je zoiets doet zonder je kijkers te informeren:

‘Uw reisdocumentaire Langs de oevers van de Yangtse is veel- en hooggeprezen. En inderdaad, het is een levensecht portret van China en de Chinezen. Mooi gefilmd ook. Toch maar een aantekening. Die prachtige bergketen die we in de aanhef van het laatste deel zien en die tijdens de aflevering nog twee maal in beeld wordt gebracht, dat is de Meilixue Shan (Chinees) of Kawa Karpo (Tibetaans). Die ligt toch echt langs de Mekong, en niet langs de Yangtse.’

Hij werd niet geplaatst.

Pol Pot’s bathroom and other remains of the Khmer Rouge

That’s the title of a new series of photos and videos I posted on Flickr.

In Cambodia much more remains of the Khmer Rouge than the Killing Fields of Choeung Ek and Tuol Sleng prison, the two well-known and horrifying reminders of their brutal reign.
In Anlong Veng and Pailin, Khmer Rouge strongholds along the Thai border long after they lost control of the country as a whole, houses of top leaders Pol Pot, Ta Mok and Khieu Samphan can still be found. With difficulty sometimes: see the ‘live’ videos of my search for Pol Pot’s house outside Anlong Veng in the forests of the Dangrek Mountains.

At Khieu Samphan’s house in Pailin an awkward surprise: his family still lives there. Embarrassed I didn’t take photos.

As to Pol Pot the places where he was tried and cremated can also still be identified.

Some of the enormous water reservoirs the Khmer Rouge built using forced labor still exist, as does a now deserted airport built during their reign, including in its vicinity hidden silo’s and tunnels, signs maybe of the Khmer Rouge’s paranoia.

And what happend to the people who were part of the Khmer Rouge? Apart from the top leaders no one was tried. Many of their former soldiers were recruited into the Cambodian government army that they previously fought against. In an ironic twist of history they now defend Cambodia against their former supporters the Thai army, in a conflict over border temples that both countries claim.

See photos and videos here:

https://www.flickr.com/photos/pieterneele/albums/72157664483775632

Or if the link doesn’t work click ‘Photos’ in the menu at the left and then ‘Albums’.

Pol Pot’s badkamer en andere overblijfselen van de Rode Khmer

Zo heet de nieuwe foto- en videoserie die ik op Flickr zette.

In Cambodja herinnert nog veel meer aan de Rode Khmer dan de ‘Killing Fields’ van Choeung Ek en de Tuol Sleng gevangenis in Phnom Penh, de twee bekendste blijken van hun bloedige bewind van 1975 tot 1979.

In Anlong Veng en Pailin, enclaves van de Rode Khmer nog lang nadat ze de macht over Cambodja als geheel verloren, zijn de huizen van hun hoge leiders Pol Pot, Khieu Samphan en Ta Mok te vinden. Soms met moeite: zie de ‘live’ video’s van mijn zoektocht naar Pol Pot’s huis, bij Anlong Veng in de bossen van het Dangrek Gebergte niet ver van de Thaise grens.

Bij Khieu Samphan’s huis een ongemakkelijke verrassing: zijn familie bleek er nog te wonen. Ik maakte er geen foto’s.

Wat betreft Pol Pot zijn ook de plaatsen waar hij werd berecht en gecremeerd te vinden. Enkele van de enorme waterreservoirs die de Rode Khmer gebruik makend van dwangarbeid aanlegde bestaan nog, net als een nu verlaten vliegveld met in zijn omgeving ook verborgen silo’s en een tunnelcomplex – tekenen misschien van de paranoia van de Rode Khmer.

En wat gebeurde er met de mensen die tot de Rode Khmer behoorden? Behalve de hoogste leiders werd niemand berecht. Velen leven een gewoon, teruggetrokken bestaan. Veel van hun voormalige soldaten werden gerekruteerd door het Cambodjaanse regeringsleger waar ze voorheen tegen vochten. Daarmee staan ze nu, in een ironische wending van de geschiedenis, tegenover het Thaise leger dat voorheen de Rode Khmer steunde, in een dispuut over een drietal tempels aan de grens die door beide landen worden geclaimd.

Zie:

Pol Pot's bathroom

Werkt de link niet, klik dan links in het menu op ‘Photos’ en kies daarna ‘Albums’.

A festival and market trip in Yunnan

Lahu in Mengka celebrating their New Year.

Kachin from Myanmar crossing the border to Ruili for a festival of the Jingpo: different name, same ethnic group.

Aini at Lancang market.

Limi Yi with their spectacular dress, living isolated in Wumulong.

Encounters with Wa, Dai, Bulang.

The plan was to visit ethnic minority festivals and markets in the southwest of Yunnan province. Markets take place any time of year. Festivals don’t, but shortly after Chinese New Year is a good hunting season.

It wasn’t easy to work out the exact days and locations of festivals. We searched the world wide web of course. That contradicted itself, as always. I banked on local lüyouju (government travel bureaus) providing reliable information. But ìf they picked up the phone they sent us to the wrong place (according to the bureau in Eshan we had to go to their village of Dalongtan, but nothing happened there) or they weren’t aware of a festival that in fact did take place (in Ximeng they hadn’t heard about the Lahu festivities in their county).

Festivals and markets aren’t scheduled to suit travellers of course. We had to hurry from Dalongtan to Eshan to Mojiang to Pu’er to Lancang in one day, changing buses at each place. And getting from Wumulong to Ruili within one day was a logistical challenge as well. Sometimes too we had too much time. We were stuck in Lincang for 24 hours with nothing much to do. (Need a map?J)

Bus stations were teeming with men and women leaving their families for another year after the New Year holiday, returning to the factories and construction sites in China’s east. Those family members didn’t see them off. Chinese don’t wave goodbye. Maybe it’s too painful. Being witness to it is one of those travel experiences that matter as much as the destination of a trip.

We first visit the village variety of the Lahu New Year. Music and dance, eating and drinking, music and dance, eating and drinking, on and on. The next day the main celebration is more ceremonial. There is someone who looks like a minister and something that seems like a sermon, there is prayer and kneeling down to earth and sacrifice of pieces of wood or bark. It is pure and a shock of colour. But I am swept away only when people climb en masse and with great sense of purpose through a forest to a second terrain at the top of the mountain.

Religiously it remains misty. Wikipedia about the Lahu: originally polytheistic, later Buddhism and Christianity were introduced. People in Mengka talk about “worshipping Buddha”.  But there is no sign of him. Above the only altar the only image is a photo of…. Mao.

The Jingpo festival in Ruili is adopted by the government. Even the local lüyouju knew about it. It is a large scale affair, and not as authentic. A group of women in Jingpo dress represent their village, but ethnically more than half are Han Chinese or Dai. I am watching a staged event. But people enjoy themselves, join the long line of dancing people that winds about the festival grounds. A brass band blows and beats fervently for hours at a stretch. How did this western music ever get here? Through the former Britisch colony of Birma?

Beyond the stage reality is more captivating. Many Kachin have come from Myanmar. With a ‘Red Booklet’, a border pass, they are allowed into China for a week, not the whole country but a border zone. A young guy tells me he goes back to Myanmar every seven days and immediately returns again with a new one week stamp. He effectively lives in China.

A man wants to show me photos in his phone. Kachin rebel fighters (or independence fighters, depending on one’s perspective) firing at the Myanmar government army. ‘Last week’, he says. I can’t verify of course.

In one of the festival’s market stands someone sells T-shirts of the Kachin Independence Army.

Calls to lüyouju: 15

Of which answered: 3

Calls to bus stations: 8

Calls from bus stations: 2

Military checkpoints: 5

That included thorough luggage check: 1

Kilometers (Kunming at beginning and end): 2.700

Ethnic minorities: 9

My co-travellers (all from Spain): 4

Other foreigners ran into: 0

David, Enric, Eva, Vicente: thanks for making the trip possible.