Pol Pot’s badkamer en andere overblijfselen van de Rode Khmer

Zo heet de nieuwe foto- en videoserie die ik op Flickr zette.

In Cambodja herinnert nog veel meer aan de Rode Khmer dan de ‘Killing Fields’ van Choeung Ek en de Tuol Sleng gevangenis in Phnom Penh, de twee bekendste blijken van hun bloedige bewind van 1975 tot 1979.

In Anlong Veng en Pailin, enclaves van de Rode Khmer nog lang nadat ze de macht over Cambodja als geheel verloren, zijn de huizen van hun hoge leiders Pol Pot, Khieu Samphan en Ta Mok te vinden. Soms met moeite: zie de ‘live’ video’s van mijn zoektocht naar Pol Pot’s huis, bij Anlong Veng in de bossen van het Dangrek Gebergte niet ver van de Thaise grens.

Bij Khieu Samphan’s huis een ongemakkelijke verrassing: zijn familie bleek er nog te wonen. Ik maakte er geen foto’s.

Wat betreft Pol Pot zijn ook de plaatsen waar hij werd berecht en gecremeerd te vinden. Enkele van de enorme waterreservoirs die de Rode Khmer gebruik makend van dwangarbeid aanlegde bestaan nog, net als een nu verlaten vliegveld met in zijn omgeving ook verborgen silo’s en een tunnelcomplex – tekenen misschien van de paranoia van de Rode Khmer.

En wat gebeurde er met de mensen die tot de Rode Khmer behoorden? Behalve de hoogste leiders werd niemand berecht. Velen leven een gewoon, teruggetrokken bestaan. Veel van hun voormalige soldaten werden gerekruteerd door het Cambodjaanse regeringsleger waar ze voorheen tegen vochten. Daarmee staan ze nu, in een ironische wending van de geschiedenis, tegenover het Thaise leger dat voorheen de Rode Khmer steunde, in een dispuut over een drietal tempels aan de grens die door beide landen worden geclaimd.

Zie:

Pol Pot's bathroom

Werkt de link niet, klik dan links in het menu op ‘Photos’ en kies daarna ‘Albums’.

Extreem Cambodja

pieterneele | 18 February, 2015 13:18

De grandioze architectuur uit de tijd van Angkor Wat. Het gruwelijke schrikbewind van de Rode Khmer. Cambodja is extreem. De grootsheid van de tempelruïnes is niet te bevatten. De omvang van de wreedheden ook niet.

Alsof er geen begrenzing op het volk zit, niet in goeds en niet in kwaads.

Ik was vaak bij Angkor Wat, zag de talloze tempels die daar in de omgeving liggen. Telkens werd ik gegrepen. Ik was vaak bij de Killing Fields van de Rode Khmer, en in Tuol Sleng, hun gevangenis en martelcentrum in Phnom Penh. Telkens huiverde ik.

Cambodja slaat me uit het veld.

Nu wilden reisgenoot en ik naar Pailin en Anlong Veng, enclaves van de Rode Khmer tot twintig jaar na hun schrikbewind. En naar de afgelegen Angkoriaanse tempels die verspreid door het noorden van Cambodja liggen. Daaronder de drie omstreden tempels op de grens met Thailand waar beide landen recent nog om vochten.

Onverwacht zouden focus op de Rode Khmer en focus op de tempelbouwkunst in één ontmoeting samenvallen.

Forenzentrip Luang Prabang – Bangkok: deze keer

pieterneele | 16 February, 2015 08:31

Op Luang Prabangs busstation rolt een roep backpackers uit een tuktuk. Tis stuitend. Te weinig kleren, opzichtige tatoeages, onfris. Blind voor hun omgeving. Blind voor de bordjes die manen ‘covered’ gekleed te zijn. Wan, die me heeft gebracht, registreert ze ook. Laotianen zeggen niet snel iets kritisch over anderen. Maar als ik begin te mopperen, stemt hij in: ‘Not nice, eh’.

Het is de Thaise bus vandaag – de ene dag de Thaise, de andere de Laotiaanse. De airconditioning is bar. Ik trek mijn outdoor onderhemd aan. Ga een stoel verzitten om uit de ijzige tocht te raken.

Ga deze keer naar Cambodja. Eerste doel is Pailin waar we de grens over willen steken, enclave van de moorddadige Rode Khmer tot twintig jaar na het schrikbewind dat ze uitoefenden. Ik wil er al lang heen, de plaatsnaam fascineert me. Voor het hotel in Loei, 600 kilometer van Pailin, staat deze auto. Raar toeval. Bedrijf en regio hebben niets met elkaar te maken.

De chauffeur van de nachtbus naar Bangkok wil er zo snel mogelijk vanaf. Rijdt te hard. Stopt kort. Komt te vroeg aan. Slaat bij aankomst de uitstaphalte over en rijdt meteen naar zijn parkeerplaats ergens achteraf. Geen idee, zo in het donker, waar de uitgang is. Bewegwijzering ontbreekt. Ik dwaal tien minuten rond. Ik heb busstation Mochit uit frustratie wel eens ‘Moshit’ genoemd. Maar wind me vandaag niet op.

Ik vind de hoofdingang en een wachtruimte. Thailand moet het land zijn met ’s werelds hoogste 7 Eleven dichtheid. Ze hanteren ruimere openingstijden dan de naam impliceert. Op mijn koffiebekertje staat ‘Wake up’.

Tegen zessen schudt een bewaakster zachtjes de oude vrouw wat verderop wakker. Ze vraagt nog wat respijt. Verdwijnt een tijdje met een handdoekje. Ordent haar spulletjes. Een uur later gaat ze met haar drie plastic zakken de straten van Bangkok op.

Ik ga mijn reisgenoot van het vliegveld halen. De glazenwassers doden mijn wachttijd.

Een vliegveld is nu eenmaal om te vliegen

We varen over Bangkoks waterweg de Chaophraya. Het rivierleven stelt nooit teleur.

In de tempel waar Thailands boeddhistische patriarch zetelt veel drukte. Een monnik strooit kleine pakketjes uit over het publiek. Dat duikt erop af, rolt ervoor over de grond – jolig en bloedserieus tegelijk. Pepernoten met Sinterklaas. Ballen na een tenniswedstrijd. Plectrums bij een concert.

Wat indrukken uit Canada

Tijdens een reisrustpauze vakantie in Canada. Familiebezoek.

De vlucht vanuit Amsterdam biedt prachtzicht op, ongelukkige naam, Groenland. Wordt de kromming van de aarde zichtbaarder naarmate je noordelijker komt?

Later kruisen we de Rocky Mountains. Naar Himalaya maatstaven zijn het de Rocky Hills natuurlijk, maar ze liggen er mooi bij.

De stewardess heeft oosterse trekken, maar is niet van Chinese, Japanse of Koreaanse komaf. Ik breek me het hoofd, en besluit: Inuit.

Appartement in Vancouver’s wijk West End. Levendig, internationaal, eten uit alle windstreken. Dichtbij is Stanley Park, schiereiland met populair fiets- en voetpad er omheen. Langs de oevers in het centrum overal jachthavens. Watervliegtuigjes komen en gaan. Blinkend glas in de wolkenkrabbers. Dakloze drugsverslaafden en mensen die ’s avonds door het buiten gezette vuilnis zoeken zijn er ook.

Iedere reisgids had me dat natuurlijk ook allemaal kunnen vertellen. Maar ik kwam liever onvoorbereid, om verrast te kunnen worden.

Geparfumeerde vuilniszakken.

Elektriciteitspalen zijn boomstammen.

Geen alcohol in supermarkten.

Buitenwijken als in Amerikaanse films.

Een coyote als we ’s avonds de hond uitlaten.

De TV waarschuwing voor coyotes zal dan wel nut hebben. Maar je wordt hier te veel bemoederd.

Helmen zijn voor fietsers verplicht.

Als je een auto start springen de lichten automatisch aan.

In het glas van de buitenspiegel: ‘De auto’s die je in deze spiegel ziet zijn dichterbij dan het lijkt’.

Overal waarschuwingen – struikel niet over de drempel, hou de trapleuning vast, glij niet uit.

Wie nog nooit in een kabelbaan zat kan maar beter hulp vragen aan het personeel als ie het gondeltje instapt.

Als er bij een kinderspeelplaats geen toezicht is wordt daar op een bord op gewezen.

Er bestaat een ‘Vereniging tegen vermijdbare verwondingen’ (de dubbelzinnigheid zal de bedenkers van de naam wel ontgaan zijn):

We nemen veerboten omhoog langs de kust en dan naar Vancouver Island. Je maag gaat draaien van de tarieven, 60 euro voor een auto met twee personen. Op een autodek ruikt het naar de boot naar Kruiningen die er niet meer is, een mengeling van olie, hout en zeewater – vleug nostalgie.

We rijden door ansichtkaarten-Canada. Naaldbos, meren, sneeuw op verre bergen.

Het is me vaak opgevallen dat mensen op reis overeenkomsten zien met plekken die ze op een eerdere reis bezochten, hoewel die overeenkomsten er objectief gezien nauwelijks zijn. Ik noem het privé associaties. De mijne hier: Kham met zijn bergen en naaldbossen. Het meest in het oog lopende verschil natuurlijk: in Kham vormen de inheemse Tibetanen de meerderheid van de bevolking, hier kom je nauwelijks First Nations tegen.

Dagelijks een stop bij ‘Timmy’s’ = Tim Hortons = een soort armelui’s Starbucks = Canadees cultuurgoed. Koffie en esdoornstroopdonuts.

Een boottocht om orca’s te zien is de belangrijkste must, zegt mijn broer. En het is geweldig. We krijgen er een bultrugwalvis bij cadeau.

We lopen door een bos met douglassparren van 80 meter hoog. Genoemd naar de Schotse ontdekker David Douglas die later op expeditie in Hawaii omkwam.

We bereiken de rand van het continent en het bijna verlaten Long Beach. Vanaf hier de Stille Oceaan.

Laos, een langzaam land dat vaart maakt, II

‘r Gebeurde weinig in het eerste blogje met deze titel.

Dit is ook realiteit.

Yaba jongens high van de speed rijden high speed op hun brommers door Luang Phabang.

De Hmong zijn de dealers – zegt een jonge jurist. Ik weet niet of dat alleen maar de ervaring is van de advocatenpraktijk waar hij werkt. Of dat het gestaafd kan worden met harde cijfers. Of dat het de Laotiaanse geruchtenmachine weer is. Of de gewoonte de Hmong de schuld te geven als er iets verkeerd gaat in het land. Ze vormen een van de grootste minderheden in het land. Ze vochten aan de Amerikaanse kant in de Vietnam oorlog, die een geheime vertakking had in Laos. Amerika trok zich terug, de communistische Pathet Lao kwam aan de macht, met de betrekkingen met de Hmong is het nooit goed gekomen.

Het yaba gebruik leidt tot stijgende criminaliteit. Brommers worden gestolen. In huizen wordt ingeslopen. De mensen hebben een hek om hun erf gezet om hun nieuwe bezittingen te beschermen, verworven dankzij de economische vooruitgang. Cctv camera’s houden nu delen van Vientiane en Luang Phabang in het oog.

Een herinnering aan een bezoek aan Laos twintig jaar geleden komt naar boven. Ik was reisleider voor een Nederlandse reisorganisatie. Onze Laotiaanse gids vertelde ons dat er in Laos geen criminaliteit was. En geen prostitutie.

’s Avonds werd ik uitgenodigd wat te drinken met de Thaise touroperator die door het Nederlandse bedrijf was ingehuurd voor de organisatie van de reis, en die in Vientiane was.

Op de tafel stond een fles Black Label. Op de sofa’s zaten een paar meisjes. ‘For talking and entertainment’, gebaarde hij. Ik vroeg me af wat hij met het entertainment bedoelde, gezien de opmerking van de gids. ‘True. Laos cannot fuck. I try many times’, bevestigde hij.

Dat zou lang voor de stijging van de criminaliteit al veranderen. Drie jaar later verdienden een Laotiaanse vriend en zijn collega receptionisten in een hotel in Vientiane goed geld door buitenlandse zakenlui toe te staan prostituees mee te nemen naar hun kamer.

Het praktische onverstoorbare meisje met het shoarmakarretje en het machete-achtige mes op de hoek van het plein voor het station van de Vietnamese grensplaats Lao Cai.

Net toen ik mijn hotel uit liep ontspoorde er vijftig meter verder bij een vleesstalletje een ruzie. Klappen, geschreeuw, een plastic stoel die door de lucht vloog en een knul die zich uit de voeten maakte, mank maar met genoeg adrenaline in zijn lijf om de jongens die hem achterna gingen voor te blijven. Voor even, toen werd hij toch ingehaald en kwamen ze met zijn allen terug. Waarop het meisje rustig ‘oh’ zei en het mes opborg in het kleine ingebouwde kastje van haar vleeskarretje en het op slot deed.

Dank aan het Vietnamese consulaat in Luang Phabang

Nu het over mensen gaat die visa verstrekken: dank aan het personeel van het Vietnamese consulaat in Luang Phabang dat kopietjes uitdeelt van een zelfgemaakte kaart met de wegen die Laos en Vietnam verbinden, afstanden en grensovergangen die open zijn voor buitenlanders.Handig, want ik reisde natuurlijk als altijd zonder kinderboek van Lonely Planet.

Handig, want ik reisde natuurlijk als altijd zonder kinderboek van Lonely Planet.

Paspoortstempel

Paginagrote visumstempels krijg je tegenwoordig niet meer – niet in Oost-Azië in ieder geval. Er worden nu stickers in je paspoort geplakt. Toch leuk dat in Laos de visumverlengingen nog als stempel worden uitgegeven. Nostalgie…

Het was het extra bezoek aan de Immigratiedienst waard. ‘Mijn baas heeft een vergadering buiten de deur’, zei de mevrouw achter het loket over de beambte die over mijn verlenging ging, toen ik mijn paspoort op het vastgestelde tijdstip af kwam halen. ‘Kun je later terug komen?’

Dengue in de stad

Ik leef hier eenvoudig. Geen airconditioning – net uit te houden. Geen warm water – ook net uit te houden. Er is wel een wasmachine. De tv is stuk en er is geen internet in huis – dat is goed, zodoende lees ik meer. Murakami, Coetzee, Verstraten’s boek over Korea. Voor email en internet ga ik naar een koffiezaak met wifi – meestal om de andere dag, een paar uur. Tlijkt een zorgeloos bestaan.

Maar ‘r heerst dengue in Luang Phabang, ’r overleed al iemand, hij werd 18. Laos is vaak een van-horen-zeggen land. ‘’r Vielen al veel meer slachtoffers, vooral in het dorp aan de overkant van de rivier.’ ‘In het ziekenhuis is soms geen plaats’. Aan heldere informatie kom je moeilijk.

Er reed een reclameauto met geluidsinstallatie door de stad om de bevolking te waarschuwen. Mijn vrienden houden hun jonge dochtertje zoveel mogelijk binnen. Buiten is ze ingesmeerd met muggen werend spul.

Op straat trekken mensen zich van de dreiging op het oog weinig aan. Ze dragen gewoon korte broeken, T-shirts en sarongs – geen kleding waarmee je je de muggen van het lijf houdt. Ik zelf ga als geboren zorgenmaker hele dagen gehuld in lange broek en heb sokken aan. Pas zijn tuin en terrein besproeid (à 10.000 Laotiaanse kip = 1 euro per huishouden tenzij je je armoede aan kun tonen), maar dan vraag ik me weer af wat voor gif er in de spray zit en wat voor kwaad me dat kan doen.

Zo is ‘r altijd wat.