Mekongexpeditie – 8 juli

3 uur ’s middags

Op het vliegveld van Xining, wachtend op mijn aansluitende vlucht, 51 uur inmiddels. Wachten in de vertrekhal om in te checken, wachten in de wachthal om in te stappen, wachten op je bagage nadat de vlucht is afgelast, wachten op je kamersleutel in het hotel tegenover het vliegveld, de volgende dag opnieuw wachten in de vertrekhal, wachten in de wachthal, wachten in het toestel want deze keer gingen we aan boord, wachten op je bagage nadat de vlucht toch weer is afgelast, wachten in het hotel, wachten in de vertrekhal, wachten in de wachthal.

Wachten put uit.

En steeds onzekerheid wanneer je zult vliegen. Òf je zult vliegen.

En zorgen over mijn gewenning aan de hoogte. Ik raakte de afgelopen weken redelijk geacclimatiseerd. Maar hoeveel schade doet de vertraging daaraan?

5 uur ’s middags

Mijn vliegtuig stijgt op.

Als we Yushu naderen vliegen we vlak over scherpe graslandpieken, witte wolkenflarden hangen tussen het frisse groen, de roodbruine Mekong stroomt er beneden tussendoor, alles in de perfecte gloed van de late namiddagzon. Ik verwens mezelf mijn camera in mijn tas te hebben gelaten, in het bagagecompartiment aan de overkant van het gangpad, buiten bereik nu we bijna gaan landen. Prachtige Mekongfoto’s die ik niet kan maken. En het moment is onherhaalbaar, er is geen kans het ooit nog eens zó te zien.

Eenmaal aan de grond stel ik me de landkaart voor en ik realiseer me dat het niet de Mekong was, maar slechts de Yangtse. Opluchting, dan doen de gemiste foto’s er niet zo toe.

Mekong villages

South of Luang Phabang scattered on the river’s banks villages hide amid trees and bushes.

Ban Nong Bua Kham is a new settlement, in fact three villages put together. The government made the villagers move down to the river to stop encroachment on the forest. It paid for the removal, it installed electricity, a dirt road connects the village with the outside world. But the people can’t support themselves here. Fishing can’t sustain them, the teak wood grown around the village doesn’t belong to them. And so they keep commuting to their old fields.

Some have disassembled and reassembled their old wooden houses, some could afford new cement blocks and corrugated iron.

Nong Bua  Kham village doesn’t look authentic. Yet its people don’t seem part of this more modern world either. The old still weave bamboo baskets. Rice is still being threshed with a foot-powered pestle and mortar. To the children that foreigner is a strange sight. Some laugh and follow him, though at a safe distance. Some shy away and start crying. And some come to see what’s up first, then after all decide it’s better to start crying.

Had Keo village has Had Keo temple where an old monk serves. In every other aspect too it is the typical traditional ethnic Lao village. Houses on stilts, palm trees, ducks and turkeys, people sitting in the shade. Clean and tidy. In all its simplicity it isn’t poor.

The village of Pak Hao sits, its name literally says so, at the mouth of the Hao. Its white waters splash and crash down between giant boulders. But they are swallowed up by the Mekong, slow and brown here, and in no time no trace is left of them.

And there is the village with the boy under the tree.

Mekong dorpen

Ten zuiden van Luang Phabang liggen verspreid over de oever dorpjes verscholen tussen bomen en bosjes.

Ban Nong Bua Kham is een nieuw nederzettinkje van drie samengevoegde dorpen. De overheid liet de inwoners naar deze plek aan de rivier verhuizen om verdere aantasting van het bos tegen te gaan. Ze betaalde voor de verhuizing, liet elektriciteit aanleggen. Een onverharde weg verbindt het dorp met de buitenwereld. Maar er is hier geen bron van bestaan. Vissen levert de mensen niet genoeg op, de teakaanplant rond het dorp is niet van hun. Dus blijven ze naar hun oude akkertjes pendelen.

Sommigen haalden hun oude houten huis uit elkaar en zetten het hier weer in elkaar. Anderen  konden zich nieuwe cementblokken en golfplaat veroorloven.

Ban Nong Bua Kham ziet er niet authentiek uit. Maar de inwoners passen ook niet in deze modernere wereld. De ouderen weven nog bamboe manden. De rijst wordt nog gedorst met voet-aangedreven stampers. De kinderen vinden die buitenlander raar. Sommigen volgen hem lachend, al houden ze veilig afstand. Sommigen zetten het op een lopen en een huilen. Sommigen kijken eerst de kat uit de boom, maar besluiten dan dat gaan huilen toch maar het beste is.

In het dorp Had Keo staat de Had Keo tempel waar een oude monnik dienst doet. Ook verder is het een karakteristiek etnisch Laotiaans dorp. Huizen op palen, palmbomen, eenden en kalkoenen, mensen die in de schaduw zitten. Opgeruimd en aangeveegd. In al zijn eenvoud is er niets armoedigs aan.

Pak Hao, de naam zegt het letterlijk, ligt aan de monding van de Hao. Die klettert, spettert en schuimt wit naar beneden tussen grote rotsblokken door. Maar de Mekong, langzaam en bruin hier, neemt hem op, er is direct geen spoor meer van hem over.

En er is het dorp met het jongetje onder de boom.

A stretch of the Mekong that thus far eluded me

I made the trip to the sources of the Mekong and Yellow River in July, though blogposts here date from September. More ‘live’ from Laos now:

I have traveled along the Mekong in Qinghai and Yunnan; and in the north and south of Laos and in Vietnam; and along the stretch that borders Myanmar; and through the larger part of Cambodia; and I have chalked up many other Mekong ‘sightings’. On the way I have seen glaciers and snow-capped peaks, and low-lying flatlands, forested hills and farmland; I have sailed through a half drowned forest, and along a myriad of streams and canals in the river’s delta.

But the stretch south of Luang Phabang had so far eluded me.

There are no public boats. Upgraded roads make bus travel faster these days. There are no tourist boats either. They stay north of Luang Phabang.

I go to the cargo pier out of town, down a small side road that turns into a mud track, winds through a village – the kind of road that seems to lead nowhere but gives me an ah-great-now-I’m-heading-the-right-way sense.

The man in charge of the port says it shouldn’t be a problem. I should just wait, a couple of cargo boats will leave downstream within a few days. He gives me the mobile numbers of their captains. But a couple of phone calls, a couple of days and a second visit to the pier later it becomes clear that after all it ìs a problem. No captain wants to take me. They say frequent stops to (un)load would make my trip lasting days. I say I don’t care, but they don’t give in. I offer money, they shrug.

Something to hide? Illegal logging? Maybe it ’s just my suspicious mind.

I end up chartering my own boat.

The river mostly moves at some purposeful pace. Once or twice it slows down to a near standstill. Occasionally it rushes through rapids. On the brink of the dry season the water level is still high, but the first rocks start to appear above the surface. It takes a skillful person to manoeuvre between them. The man steering my boat is a professional.

There is hardly any traffic. We see one cargo boat all day, and a few small boats taking people a short distance up- or downstream.

Left and right undulating hills, green everywhere though near the river there is no old growth forest left.

On the banks scattered villages, half hidden amid trees and bushes.

I am as exited as all the other times when I first saw a part of the Great River.

Een stuk van de Mekong dat me tot nu ontglipte

De reis naar de bronnen van de Gele Rivier en de Mekong maakte ik in juli, al heb ik de blog-berichten erover in september geplaatst. Meer ‘live’ uit Laos nu:

Ik reisde langs de Mekong in Qinghai en Yunnan; en in het noorden en het zuiden van Laos en in Vietnam; ik voer over het deel van de rivier dat Myanmar begrenst; en door het grootste deel van Cambodja; en ik zag de Mekong op nog een hoop andere plaatsen. Onderweg zag ik gletsjers en sneeuwpieken en vlak laagland; en beboste heuvels en akkerland; ik voer door een half verdronken bos, en door talloze stroompjes en kanaaltjes in de delta van de rivier.

Maar het gedeelte ten zuiden van Luang Phabang was me tot nu ontglipt.

Er zijn geen openbare boten. Bussen zijn sneller, nu de wegen zijn verbeterd. Toeristenboten zijn er ook niet. Die blijven ten noorden van Luang Phabang.

Ik ga naar de vrachtpier buiten de stad, via een zijweggetje dat in een modderpad verandert en door een dorp slingert – het soort weg dat nergens heen lijkt te gaan, maar me een ah-nu-gaat-‘t-de-goede-kant-op gevoel geeft. De havenmeester zegt dat het geen probleem moet zijn. Ik moet maar gewoon wachten, over een dag of wat vertrekken er wel een paar vrachtschepen stroomafwaarts. Hij geeft me de mobiele nummers van de bootslui. Maar een paar telefoongesprekken, een paar dagen en een tweede bezoek aan de haven later is het wel duidelijk dat het wel een probleem is. Geen kapitein die me mee wil nemen. Ze leggen regelmatig aan om te laden en lossen, ik zou er dagen over doen. Ik zeg dat dat me niet uitmaakt, maar ze geven niet toe. Ik bied geld, ze halen hun schouders op.

Iets te verbergen? Illegale houtkap? Misschien is het mijn achterdochtige gemoed maar.

Ik charter mijn eigen boot.

De rivier stroomt stevig door, hij doet doelbewust aan. Een enkele keer valt ie even bijna stil. Af en toe spoedt ie zich door stroomversnellingen. Vlak voor het droge seizoen staat ie nog hoog, maar de eerste rotsen komen boven het oppervlak uit. Er is een vakman als mijn bootsman voor nodig om er tussendoor te manoeuvreren.

Er is nauwelijks verkeer. We zien de hele dag één vrachtschip, en een paar bootjes die mensen korte stukjes stroomop- of –afwaarts brengen.

Links en rechts golvende heuvels, overal groen al is er dicht bij de rivier geen oorspronkelijk bos meer over.

Op de oevers liggen verspreide dorpen half verscholen tussen bomen en bosjes.

Ik ben zo opgetogen als al die andere keren dat ik een stuk van de Grote Rivier voor het eerst zag.

To the source of the Mekong – Two

We set out from Zaduo again, it’s three days later. Only driver Renqing comes with us this time. He grew up in the Zaxiqiwa area, and he speaks Chinese though Tibetan is his mother tongue. So no need for a guide or interpreter.

He shows little mercy for his Chinese built pick-up truck. Stretches of rough road, potholes, streams – he just pushes on. Once, when ahead the trail gets very muddy, I manage to convince him to take a detour – but that is an exception.

We get to the spot where we got stuck. I want to check first. But he only stops to shift to four-wheel drive mode. He takes a shallower passage. I am sure I feel my feet getting wet. But it’s imagination. We have crossed.

More tributaries of the Mekong follow. Renqing volunteers the name of each of them. We get to the river’s main stream and drive further upstream.

Then the road turns west and leaves the Mekong. So do we.

Marco and Eric are artists who have asked me to facilitate their trip to the origins of the Yellow River and Mekong. We had long discussions: which sources to go to? Several choices are possible, as previous blog posts show. In the end for the Mekong they decided on Zaxiqiwa – the ‘spiritual’ source of the river revered by local Tibetan people. I can’t argue with their artistic decisions of course. But being the more rational type I am disappointed I will not get to the source of my choice, the ‘scientific’ one at the head of the Mekong’s longest tributary, at the foot of Jifu Mountain.

This is why we leave the Mekong’s main stream.

A low pass. Ahead the Zaxiqiwa plain, maybe 15 kilometers across, ringed by hills, dotted with countless silver blue pools. Its green more fresh than any we have seen in the 1,800 kilometers we drove to get here from Xining.

A pang. I am caught off guard. We stop briefly, but the urge to enter this place is stronger than to take in its view. We descend and move across the plain to the Mekong’s Zaxiqiwa source. The sound of birds, the sound of the wind. Brilliant end-of-afternoon light. It’s a moving place to be and one of the purest on earth. The meaning of ‘spiritual source’ dawns on me.

Zaxiqiwa, ‘spiritual’ source of the Mekong

Naar de oorsprong van de Mekong – Twee

We laten Zaduo weer achter ons, het is drie dagen later. Alleen chauffeur Renqing vergezelt ons deze keer. Hij groeide op in de buurt van Zaxiqiwa, en hoewel Tibetaans zijn moedertaal is spreekt hij ook Chinees. Geen tolk of gids nodig dus.

Hij heeft geen medelijden met zijn Chinese pick-up truck. Onverhard slecht wegdek, kuilen, riviertjes – hij neemt er geen gas voor terug. Een keer, als het wel erg modderig wordt, weet ik hem over te halen een stukje om te rijden – maar dat is een uitzondering.

We komen bij de plek waar we strandden. Ik wil eerst de situatie bekijken. Maar hij stopt alleen even om over te schakelen naar vierwielaandrijving. Hij kiest een minder diepe doorgang. Ik weet zeker dat ik mijn voeten nat voel worden. Maar het is verbeelding. We zijn aan de overkant.

Meer zijrivieren van de Mekong volgen. Renqing noemt telkens de naam. We komen aan de Mekong zelf. We volgen hem stroomopwaarts.

Dan buigt de weg naar het westen en verlaat de Mekong. Wij ook.

Marco en Eric zijn kunstenaars die me hebben gevraagd hun reis naar de oorsprong van de Gele Rivier en de Mekong te organiseren. We voerden lange discussies: naar welke bronnen precies? Zoals eerder blogs hier laten zien zijn er verschillende keuzes mogelijk. Ze besloten wat betreft de Mekong naar de Zaxiqiwa bron te willen, de ‘spirituele’ bron van de rivier die vereerd wordt door de lokale Tibetaanse bevolking. Ik kan natuurlijk niet in hun artistieke overwegingen treden. Maar meestal rationeel ingesteld ben ik teleurgesteld niet naar de bron van mijn keuze te kunnen, de ‘wetenschappelijke’ aan het begin van de langste tak van de Mekong, aan de voet van de berg Jifu.

Daarom verlaten we de hoofdstroom van de Mekong.

Een lage pas. Voor ons de Zaxiqiwa vlakte, misschien 15 kilometer in doorsnee, vol met zilverblauwe poelen, omzoomd door heuvels. Frisser groen dan al het groen dat we zagen in de 1.800 kilometer onderweg hierheen vanuit Xining.

Een steek van binnen. Ik ben verrast en word uit mijn doen gebracht. We stoppen kort, maar de drang deze plek te betreden is groter dan om zijn aanblik in je op te nemen. We dalen af en steken de vlakte door naar de Zaxiqiwa bron van de Mekong. Het geluid van vogels en van wind. Schitterend namiddaglicht. Het is een ontroerende plek en een van de puurste op aarde. Voor het eerst dringt de betekenis van ‘spirituele bron’ tot me door.

Zaxiqiwa, de ‘spirituele’ bron van de Mekong

To the source of the Mekong – One

The car fills with the whispered Tibetan prayers of the man from Zaduo. I have asked him to join, none of us knows the way.

The first high mountain pass draws oohs and aahs for its beauty. But we don’t pause, focused as we are on our aim: the Mekong’s source at Zaxiqiwa.

Otherwise we are silent.

The local guide announces ten mountain passes. I soon lose count. Marco doesn’t.

The road winds up and down, right and left. A labyrinth in an empty world.

I make notes, see what my GPS has got to say about our progress.

We approach a river. I jot down it is the biggest stream we have seen so far. When I look up we are in the middle already – and stuck.

Ten centimeters of water soon fill the car. We crawl out through the back, in hopes the water is less deep than left and right perhaps. Or because instinctively people always choose the shortest way to safety. I am sure it looks comical.

Phuntsok has set out without anything one may need: chain or rope for towing, tools, jerrycan, spade, plastic to keep luggage dry. I still bought the latter two – but should have checked better.

After a while a truck. The driver has a rope, we have a cord that ties our luggage together. They wind them together. – that’s clever, I think. It pulls our car out of the river. But it kind of drowned, can’t be brought back to life. The truck moves on, we have to turn back to Zaduo – somehow.

We had gotten halfway.

A tractor shows up. A stroke of good luck. It is in the area because of a grass-sowing program that should prevent soil erosion.

This time there is only our luggage cord to pull our car. It snaps right away.

The tractor goes, comes back much later with a steel cable, tows us up a pass where its driver makes it known he doesn’t have enough gas to tow us any further and takes off. Soon after our guide from Zaduo also leaves in a rare passing car, it has one empty seat.

Darkness falls, we warm some food, pitch tents.

Naar de oorsprong van de Mekong – Een

De auto vult zich met de geprevelde Tibetaanse gebeden van de man uit Zaduo. Ik heb hem gevraagd mee te gaan, niemand van ons kent de weg.

De eerste hoge pas ontlokt oehs en aahs om zijn pracht. Maar stoppen doen we niet, gericht als we zijn op ons doel, de Mekong bron bij Zaxiqiwa.

Verder is ieder stil.

De lokale gids stelt tien bergpassen in het vooruitzicht. Ik raak al snel de tel kwijt. Marco niet.

De weg slingert op en neer, links en rechts. Een doolhof in een lege wereld.

Ik maak aantekeningen, kijk op mijn GPS of we wat opschieten.

We naderen een rivier, ik pen in mijn boekje dat het de breedste is tot nu toe. Als ik opkijk staan we er al middenin. Gestrand – voor zover dat in dit geval toepasselijke woordkeus is.

Er staat al snel tien centimeter water in de auto. We kruipen er door de achterdeur uit, misschien in de hoop dat de rivier daar ondieper is dan rechts of links. Of omdat mensen instinctmatig altijd de kortste weg naar de veiligheid zoeken. Het ziet er vast komisch uit.


Phuntsok is op pad gegaan zonder iets wat je zoal nodig zou kunnen hebben: sleepkabel, gereedschap, jerrycan, spa, plastic om bagage droog te houden. Die laatste twee dingen heb ik nog gekocht – maar ik had beter op moeten letten.

Na een tijdje een vrachtauto. De chauffeur heeft een touw, wij hebben een koord om de bagage bij elkaar te binden. Ze winden ze in elkaar – slim bedacht, denk ik. Het trekt de auto op het droge. Maar hij doet het niet meer, is zo’n beetje verdronken. De truck rijdt verder. Wij moeten terug naar Zaduo – op een of andere manier.

We waren halverwege.

Er doemt een tractor op. Een gelukje. Hij is in de buurt vanwege een gras-zaai programma dat bodemerosie tegen moet gaan.

We hebben nu alleen ons bagagekoord om ons te slepen. Het knapt direct.

De tractor verdwijnt, komt veel later terug met een stalen kabel en trekt ons een pas op waar de chauffeur laat weten dat hij niet genoeg brandstof heeft om ons verder nog ergens heen te slepen. Hij vertrekt. Net als even later onze gids uit Zaduo in de enige passerende auto, met één lege stoel.

Het wordt donker, we eten wat, zetten tenten op.

Not so far from each other: the sources of the Yangtse, Yellow River and Mekong

Three of Asia’s longest rivers, the Yangtse (6,300 km), Yellow River (5,500 km) and Mekong (4,900 km) all have their source in China’s Qinghai province, at the northern part of the Tibetan plateau.

Seems like a remarkable fact. But rivers that start furthest inland and at this highest plateau don’t have much choice but to become the longest on their way to the sea.

Besides all three come from Yushu prefecture (the administrative unit below provincial level). And two of them, the Yangtse and Mekong, even come from the same county of Zaduo (the administrative unit below prefectural level).

This if you accept the length of a river’s longest tributary as the criterion to determine a river’s source.

Introduction of satellite measurements has made establishment of river lengths more easy and more reliable. It has led to the ‘relocation’ of the source of all three rivers. The Dang Qu turns out to be a longer tributary of the Yangtse than the Tuotuo He so that its source, traditionally at Geladandong west of Yushu, moves to Zaduo county. The Kari Qu turns out to be longer than the Yueguzong Qu, shifting the Yellow River’s source to the territory of Yushu. The disagreement about the Mekong’s source doesn’t matter in this respect: it will remain in Zaduo county, whatever the outcome.