Laos, een langzaam land dat vaart maakt – aarzelend

Sinds de Franse koloniale tijd was Laos bekend om zijn rust. In vergelijking met hun Indochinese buren werd er van de mensen gezegd dat de Vietnamezen rijst plantten, de Cambodjanen rijst aten en de Laotianen toekeken hoe rijst groeide. De bescheiden en stille bevolking gaf het langzame Laos zijn kalme charme.

Die charme is niet helemaal verdwenen. Maar de dingen zijn wel veranderd – op zijn Laotiaans.

In Vientiane, de hoofdstad, ligt een nieuwe verhoogde boulevard langs de Mekong waar voorheen de mensen wat aten en dronken in zaakjes op palen, gemaakt van hout en met een afdak van palmbladeren. De promenade bracht ze in beweging. Al is het niet meer dan slenteren wat ze doen, ze overdrijven het niet. Een paar skatende jongens zijn een uitzondering. Twee keer komt een jogger me tegemoet, ik schrik ervan, maar het blijken expats.

Als je door de stad loopt moet je tegenwoordig uitkijken en wachten voor auto’s voor je oversteekt. De hoeveelheid verkeer rechtvaardigde zelfs de introductie van stoplichten en straten met eenrichtingverkeer. De krant meldt parkeeroverlast en auto’s die stoepen en straten blokkeren.

Als je Laos in wat vroegere dagen hebt gezien vallen de nieuwere dagen niet mee. ‘Vroeger was alles beter… enzovoorts.’ Maar dat is natuurlijk een nostalgische buitenlandersblik, de Laotianen zijn blij dat ze geleidelijk aanhaken bij de moderne tijd.

Zo zeer zelfs dat ik deze keer van Vientiane naar Luang Phabang vloog in een straalvliegtuig in plaats van een propellertoestel. Een eerdere poging om een straalvliegtuig in gebruik te nemen was een paar jaar geleden een jammerlijke mislukking, of natuurlijk afhankelijk van je invalshoek een toe te juichen mislukking. Dat lease toestel bleef al spoedig aan de grond, naar het verhaal ging omdat er geen geld was voor reparaties, of volgens een ander verhaal vanwege een gebrek aan passagiers.

Maar deze keer vliegt Lao Airlines met een Airbus en het nieuwe Laos Central Airlines met een Boeing en lijkt de intrede van de straalluchtvaart definitief.

Stap voor stap wordt Laos opgenomen in de vaart der volkeren.

Mekong dorpen

Ten zuiden van Luang Phabang liggen verspreid over de oever dorpjes verscholen tussen bomen en bosjes.

Ban Nong Bua Kham is een nieuw nederzettinkje van drie samengevoegde dorpen. De overheid liet de inwoners naar deze plek aan de rivier verhuizen om verdere aantasting van het bos tegen te gaan. Ze betaalde voor de verhuizing, liet elektriciteit aanleggen. Een onverharde weg verbindt het dorp met de buitenwereld. Maar er is hier geen bron van bestaan. Vissen levert de mensen niet genoeg op, de teakaanplant rond het dorp is niet van hun. Dus blijven ze naar hun oude akkertjes pendelen.

Sommigen haalden hun oude houten huis uit elkaar en zetten het hier weer in elkaar. Anderen  konden zich nieuwe cementblokken en golfplaat veroorloven.

Ban Nong Bua Kham ziet er niet authentiek uit. Maar de inwoners passen ook niet in deze modernere wereld. De ouderen weven nog bamboe manden. De rijst wordt nog gedorst met voet-aangedreven stampers. De kinderen vinden die buitenlander raar. Sommigen volgen hem lachend, al houden ze veilig afstand. Sommigen zetten het op een lopen en een huilen. Sommigen kijken eerst de kat uit de boom, maar besluiten dan dat gaan huilen toch maar het beste is.

In het dorp Had Keo staat de Had Keo tempel waar een oude monnik dienst doet. Ook verder is het een karakteristiek etnisch Laotiaans dorp. Huizen op palen, palmbomen, eenden en kalkoenen, mensen die in de schaduw zitten. Opgeruimd en aangeveegd. In al zijn eenvoud is er niets armoedigs aan.

Pak Hao, de naam zegt het letterlijk, ligt aan de monding van de Hao. Die klettert, spettert en schuimt wit naar beneden tussen grote rotsblokken door. Maar de Mekong, langzaam en bruin hier, neemt hem op, er is direct geen spoor meer van hem over.

En er is het dorp met het jongetje onder de boom.

Een stuk van de Mekong dat me tot nu ontglipte

De reis naar de bronnen van de Gele Rivier en de Mekong maakte ik in juli, al heb ik de blog-berichten erover in september geplaatst. Meer ‘live’ uit Laos nu:

Ik reisde langs de Mekong in Qinghai en Yunnan; en in het noorden en het zuiden van Laos en in Vietnam; ik voer over het deel van de rivier dat Myanmar begrenst; en door het grootste deel van Cambodja; en ik zag de Mekong op nog een hoop andere plaatsen. Onderweg zag ik gletsjers en sneeuwpieken en vlak laagland; en beboste heuvels en akkerland; ik voer door een half verdronken bos, en door talloze stroompjes en kanaaltjes in de delta van de rivier.

Maar het gedeelte ten zuiden van Luang Phabang was me tot nu ontglipt.

Er zijn geen openbare boten. Bussen zijn sneller, nu de wegen zijn verbeterd. Toeristenboten zijn er ook niet. Die blijven ten noorden van Luang Phabang.

Ik ga naar de vrachtpier buiten de stad, via een zijweggetje dat in een modderpad verandert en door een dorp slingert – het soort weg dat nergens heen lijkt te gaan, maar me een ah-nu-gaat-‘t-de-goede-kant-op gevoel geeft. De havenmeester zegt dat het geen probleem moet zijn. Ik moet maar gewoon wachten, over een dag of wat vertrekken er wel een paar vrachtschepen stroomafwaarts. Hij geeft me de mobiele nummers van de bootslui. Maar een paar telefoongesprekken, een paar dagen en een tweede bezoek aan de haven later is het wel duidelijk dat het wel een probleem is. Geen kapitein die me mee wil nemen. Ze leggen regelmatig aan om te laden en lossen, ik zou er dagen over doen. Ik zeg dat dat me niet uitmaakt, maar ze geven niet toe. Ik bied geld, ze halen hun schouders op.

Iets te verbergen? Illegale houtkap? Misschien is het mijn achterdochtige gemoed maar.

Ik charter mijn eigen boot.

De rivier stroomt stevig door, hij doet doelbewust aan. Een enkele keer valt ie even bijna stil. Af en toe spoedt ie zich door stroomversnellingen. Vlak voor het droge seizoen staat ie nog hoog, maar de eerste rotsen komen boven het oppervlak uit. Er is een vakman als mijn bootsman voor nodig om er tussendoor te manoeuvreren.

Er is nauwelijks verkeer. We zien de hele dag één vrachtschip, en een paar bootjes die mensen korte stukjes stroomop- of –afwaarts brengen.

Links en rechts golvende heuvels, overal groen al is er dicht bij de rivier geen oorspronkelijk bos meer over.

Op de oevers liggen verspreide dorpen half verscholen tussen bomen en bosjes.

Ik ben zo opgetogen als al die andere keren dat ik een stuk van de Grote Rivier voor het eerst zag.

Maleisische verrassing

Ik wist natuurlijk dat Maleisië een multi-etnische staat was met een Maleise meerderheid en Chinese en Indiase minderheden. Zo herinnerde ik het me ook van twintig jaar geleden, van mijn eerste reis door Azië.

Maar tijdens een recent bezoek aan Kuala Lumpur verbaasde het me hoe multi-etnisch het land werkelijk is. Er waren wat mensen uit buurland Thailand – ze verkochten heerlijk eten. Er waren er veel uit buurland Indonesië – werkzaam in de palmolieplantages, of kleine zaakjes runnend. Of ze verkochten heerlijk eten. Ik zag wat Laotianen – en het is zeldzaam die zo ver van huis tegen te komen. Ik zag een Birmese vrouw – alleen.

In de beveiliging werken veel Nepalezen. Ik herinnerde me de vertrekkende groepen gastarbeiders op het vliegveld van Kathmandu – uitgeleid door familie, met kleine bloemenkransjes om hun nek en grote tika’s op hun voorhoofd, afgezonderd bij aparte immigratiebalies, bedremmeld hun eigen wereld achterlatend.

Ze staan bij de ingang van de compound waar ik logeer. Het ijs breekt als ze begrijpen dat je hun woonplaats in de Tarai kent en vijf woorden van hun taal spreekt. Zo begint een dag later hun Cambodjaanse collega uit Kampong Chhnang ook te vertellen – dat een vriend van hem dengue heeft, dat ze twaalf uur werken en dat de rit naar hun huisvesting lang is, dat ze 250 $ in de maand betaald krijgen. Maar dat dat meer is dan hij thuis kan verdienen.

De computerzaak was van Pakistanen. Ik zag Iraniërs – vluchteling of student, dat bleef onduidelijk. Ik zag een hoop mensen uit het Midden-Oosten.

Ik sta in de lift van de KL Tower met een Arabisch stelletje. Zij is van top tot teen in wijd zwart gehuld – gewaad, hoofddoek, sluier die alleen op ooghoogte door een horizontaal stofloos strookje wordt doorbroken. Ik vraag aan hem waar ze vandaan komen – ‘Saudi’.  Aan haar vragen, dat durf ik niet. Als we boven zijn pakt ze zijn hand, trekt hem mee, gaat dicht tegen hem aan lopen, samen glippen ze weg tussen de andere toeristen.

En dan vallen ze me overal in de straten en de winkelcentra op. Westers en informeel geklede jonge mannen, en jonge vrouwen in chador en met alleen dat open streepje voor hun ogen. Onderdrukt? Onvrij? Ze lopen hand in hand, arm in arm, gelukkig als jonge stelletjes overal ter wereld.