Terug naar Laos (4)

Achter het oude koninklijke paleis in Luang Prabang legt de veerpont aan.

De oprit is een steile afrit van de weg over de oever. De trossen zijn net los, ik ren de helling af om nog mee te kunnen. Het personeel lacht en wacht.

De boot is een geïmproviseerde catamaran – twee rompen van gangbare Laotiaanse rivierbootjes, twintig meter lang, waar dwars overheen het dek is gelegd. Er gaan zes of zeven auto’s op, en een hoop brommers. Die rijden er aan de zijkant op, over een metalen plaat die het midden houdt tussen een laadklep en een loopplank. Er zit nog een dak op ook, tegen regen en zon.

Aan boord lopen mensen kriskras door elkaar. Maar de jongen die het geld voor de oversteek int weet feilloos wie er al betaald heeft en wie niet. ‘Wanneer gaat de laatste pont terug?’. ‘We varen 24 uur’, zegt ie trots.

De overtocht is vijf minuten geluk. De brede bruine stroom en de groene oevers die de Mekong in Laos kenmerken. De warme bries. Het gevoel deel uit te maken van de eindeloze rivier.

Er zijn geruchten geweest over de bouw van een brug. Goed dat daar nog niets van terecht is gekomen. Die zou hier pijn doen aan je ogen. En dan – bruggen zijn de vijand van de reiziger. Ze ontnemen je de ervaring van zo’n overtocht. Op een brug ben je onbereikbaar gescheiden van de rivier beneden. En ze ontnemen je de uitbarsting van leven bij een aanlegplaats – de ontmoetingen tussen mensen, de drukte, de straatventers die fruit of snacks aanbieden, het passen en meten om zo veel mogelijk auto’s aan boord te krijgen.

Het contrast tussen Luang Prabang en het dorp aan de overkant is groot. De huizen zijn armoediger. Een vrolijke lach is ver te zoeken. Er is een nieuwe markthal opgetrokken, maar bijna niemand wil er zijn spullen verkopen. Meer dan een paar honderd mensen wonen er niet. Er is een basisschooltje. En er zijn een paar tempels, als overal in Laos.

De nieuwe weg van Luang Prabang naar Hong Sa begint hier. En voorbij Hong Sa is een nieuwe grensovergang naar Thailand geopend. Thaise automobilisten komen met uiteenlopende berichten over de duur van de rit. De een houdt het op twee, de ander op vier uur. Maar ze zijn het erover eens dat het een kronkelende op en neer gaande weg is. Het kan niet anders of ik ga het traject zelf een keer volgen.

Op de terugweg zit ik op de pont een tijd te wachten op vertrek. Vervelend zijn de uitlaatgassen uit de stilstaande auto’s van de nieuwe middenklasse. Die laat de motor draaien om de airconditioning niet uit hoeven te doen, en zet bromfietsers en voetgangers in de vieze lucht. Eenmaal van wal gestoken verwaait die.

PS Bruggen zijn de vijand van de reiziger. En tunnels ook. Die benemen je bovendien nog eens het zicht. Dat is erg als het een tunnel onder een waterweg is. En nog veel erger als het een tunnel door een berg is. Dit zijn twee zijden van de Cho La bergpas (in de oostelijke Tibetaanse regio Kham in de Chinese provincie Sichuan) in 2016, onbegaanbaar nu er een tunnel ligt.

Between Nakhon Sawan and Luang Prabang

[This is the third and final post about my commutes between my favourite flight hub of Bangkok and my pied à terre in Luang Prabang. The others are Train no. 211 from Bangkok and (My) life in Nakhon Sawan. They’re memories of travels impossible and places unreachable in Covid-times.]

From Nakhon Sawan it’s a boring bus ride to Phitsanulok. I often passed through the city starting out as a tour leader in Thailand in the 1990’s, and enjoyed visits to the Buddha Casting Foundry with its traditional production methods. These days I don’t get into town, just stay overnight across the road from the bus terminal east of the city, where there is one of those clean and bright no-frills hotels  found in Thai provincial towns. The family that runs it is none too outgoing. But there is always a nod of recognition, or an ’it’s-been-a-while’ .

Nearby at an intersection is this sign:

Now this is a bit grand. No car or truck from Malaysia, China or Vietnam ever passes by. But Phitsanulok is a major domestic traffic hub. Straight west the road leads to the Myanmar border at Mae Sot, straight east to the Lao border at Mukdahan. Buses run south to Bangkok and north to each and all of the northern provinces.

Beyond Phitsanulok there are several possible routes to Luang Prabang, shown on the map below. I usually continue to Loei, and move on to Luang Prabang the next day. It is fastest and, well, cheapest.

But the route through Nan province also makes for interesting travel. This goes: bus from Phitsanulok to Nan; minivan to the Thai-Lao border at Moeng Nguen; a walk through no-man’s-land; finding some or other vehicle to Pakbeng on the Mekong; a boat down river to Luang Prabang.

I haven’t yet traveled the Uttaradit – Paklay stretch myself. Bucket list!

Text continues below map.

A geographical appendix

Each of these routes at some point must cross the divide between the Mekong and Chao Phraya basins. Interested in everything Mekong I try to figure out where exactly this divide runs, both by trying to work out the lie of the land while on the road, and by studying the unsurpassed Google Earth and following streams and rivers on its satellite images.

(Incidentally: how great an escape is Google Earth in times of lockdown. It allows me virtual travel, transports me to faraway places I’d rather be.)

It must be then that the Thai-Lao border follows the Mekong-Chao Phraya divide in the north of Thailand’s Nan Province, and the east of its Uttaradit Province.

The divide must run inside Thailand between the towns of Phitsanulok and Loei. But while traveling there, it is difficult to determine its course as there are several longer climbs and descends along the way. Google Earth also doesn’t provide a clear answer, so in this case the marking on the map is just an educated guess.

You may also be interested in an older post, describing my commutes from Luang Prabang to Bangkok in the opposite direction:

https://pieterblog.rdeman.nl/?p=185

Tussen Nakhon Sawan en Luang Prabang

[Dit is de derde en laatste van drie blogs over mijn forenzentrips tussen mijn favoriete luchtvaartknooppunt Bangkok en mijn pied-à-terre in Luang Prabang. De andere zijn Trein nr. 211 uit Bangkok en (Mijn) leven in Nakhon Sawan. Het zijn herinneringen aan in coronatijd onmogelijke reizen en onbereikbare plaatsen.]

Het is een saaie busrit van Nakhon Sawan naar Phitsanulok. Ik kwam vaak in de stad als beginnend reisleider in de jaren 1990, en vond het leuk de ambachtelijke bronsgieterij van Boeddhabeelden te bezoeken. Tegenwoordig ga ik het centrum niet in, en overnacht in het frisse lichte hotel tegenover het busstation ten oosten van de stad. De famlie die het runt loopt nooit over van vriendelijkheid. Maar er is altijd een knik van herkenning of een ‘dat-is-al-even-geleden’.

Dichtbij op een grote kruising staat dit bord:

Dat is wat te ambitieus. Er komt hier nooit een auto of vrachtwagen uit Maleisië, China of Vietnam. Maar Phitsanulok ís een centraal binnenlands verkeersknooppunt. De weg naar het westen voert naar de grens met Myanmar bij Mae Sot, die naar het oosten naar de Laotiaanse grens bij Mukdahan. Bussen gaan zuidwaarts naar Bangkok en noordwaarts naar alle noordelijke Thaise provincies.

Voorbij Phitsanulok leiden verschillende routes naar Luang Prabang, ingetekend in de kaart beneden. Ik kies meestal die via Loei. Die is met twee dagen het snelst en, nu ja, het goedkoopst.

Maar de route via Nan is zeker zo boeiend. Die gaat zo: een bus van Phitsanulok naar Nan; een minibus naar de Laotiaanse grens bij Moeng Nguen; een wandeling door niemandsland; een zoektocht naar een of ander vehikel om je naar Pakbeng aan de Mekong te brengen; een boot stroomafwaarts naar Luang Prabang.

Het traject tussen Uttaradit en Paklay heb ik zelf nog niet af kunnen leggen. Bucket list!

Tekst gaat verder onder de kaart

Kaart door Jaap Vinke

Een aardrijkskundige bijlage

Elk van deze routes moet ergens de waterscheiding kruisen tussen de stroomgebieden van de Mekong en de Chao Phraya. Geïnteresseerd in alles wat de Mekong aangaat probeer ik te bepalen waar die waterscheiding loopt. Als ik onderweg ben let ik op de structuur van het landschap, kijk vooral hoe bergruggen lopen. En ik bestudeer de satellietbeelden van het onvolprezen Google Earth, volg daar rivieren en stroompjes.

(Trouwens: wat een gelukkige ontsnapping biedt Google Earth in tijden van corona-lockdown en gedwongen verblijf in Nederland. Het laat me in gedachten reizen, en verplaatst me naar plaatsen waar ik liever zou zijn.)

Het moet zo zijn dat de Thais-Laotiaanse grens de Mekong-Chao Phraya waterscheiding volgt in het noorden van Thailands provincie Nan en het oosten van provincie Uttaradit. De waterscheiding moet binnen Thailand lopen tussen Phitsanulok en Loei. Maar reizend over land is haar koers moeilijk te bepalen, omdat er verschillende langere klimmen en afdalingen zijn. Google Earth levert ook geen duidelijk antwoord, dus in dit geval is de markering op de kaart niet meer dan een vermoeden.

Hier vind je een oudere blog, die mijn frequente reizen tussen Bangkok en Luang Prabang in omgekeerde richting beschrijft:

https://pieterblog.rdeman.nl/?p=183

Mekongexpeditie – 15 juli en daarna

We rijden naar Zaduo, daarna Yushu, daarna Serxu waar we rusten in het klooster guesthouse, de was doen, goed eten, foto’s bekijken, aantekeningen maken. En daarna naar Garze waar onze wegen scheiden.

Vorige maand zag ik op het busstation van Kangding dat er een rechtstreekse bus naar Xichang gaat via een route die ik niet ken, en van daar zullen andere onbekende bus routes me naar Yunnan en Kunming brengen, basiskamp sinds zeven jaar.

Mekongexpeditie – 13 juli

De hele trip denk ik niet aan mijn moeder, broer of zus. Niet aan mijn vader. Niet aan vriendinnen van vroeger of nu. Niet aan andere vrienden. Niet aan Bach of Rush. Niet aan favoriete boeken. Niet aan sportuitslagen. Niet aan kwalen en ziektes waarover ik me makkelijk en nodeloos zorgen maak. Niet aan komende reizen. Ik denk aan niemand, en aan geen van de dingen die normaal mijn leven bepalen. En ik ben me niet eens bewust dat ik daar allemaal niet aan denk.

Alleen maar die focus. Waar zet ik mijn voeten? Genoeg eten in onze dagrugzakken? Raak ik niet ver achterop bij Luciano; of omgekeerd? Wat gaat het weer doen? Hoe houden we ons de waakhonden van de nomaden van het lijf? En wanneer ik me die dingen niet afvraag, voel ik mijn zere voeten.

We lopen.

We bereiken de Mekongbron bij Mount Guosongmucha. Lager gelegen dan de Jifu-bron, en de riviertak die hier begint is korter dan de Gaodepu die ontspringt bij Jifu. Maar hij is dramatischer, de gletsjers zijn indrukwekkender en de waterstroom is groter en veel krachtiger.

Mekongexpeditie – 10 juli

We stuiteren over de ‘weg’ die van Zaduo naar het westen loopt. Ik zoek houvast aan de achterbank of het portier en doe dingen die nauwelijks gaan – notities maken, brood en kaas snijden, sms-en zolang we nog binnen bereik van Zaduo’s zendmasten zijn.

Op de eerste bergpas strooit chauffeur Renqing gebedspapiertjes hemelwaarts. Misschien beschermen ze ons tegen ernstige problemen. Maar niet tegen autopech, 25 kilometer buiten Zaduo moeten we omkeren. Reparatie duurt uren, als we weer op pad gaan is het laat in de middag. Zaxiqiwa, ons doel van vandaag, zullen we zeker niet bereiken.

Renqing kiest een andere route dan vorig jaar, zuidelijk van de Mekong die lokaal de Zaqu heet. Tegen de schemer voegen we ons weer bij de rivier. Dan komen we aan een samenvloeiing van twee stromen. Ik twijfel even, realiseer me dan opgetogen dat dit Ganasongdou is, een belangrijke plek voor Mekongontdekkers.

Vanuit het westen (rechts op de foto) stroomt de Zanaqu (‘Zwarte Rivier’), vanuit het noorden de Zayaqu (‘Witte Rivier’), samen heten ze vanaf hier Zaqu. In 1994 reisde Michel Peissel  naar de plek waar de westelijke Zanaqu ontspringt en hij claimde dat hij daarmee de bron van de Mekong had ontdekt. Maar hij bereikte het brongebied door vanuit Zaduo nog zuidelijker aan te houden dan wij vandaag hebben gedaan, pas een stuk verder naar het westen bij het gehucht Moyun voegde hij zich bij de rivier. De samenvloeiing bij Ganasong heeft hij nooit gezien. Had hij dat wel, dan zou hij opgemerkt hebben dat de noordelijke Zayaqu de grotere van de twee rivieren is die meer water afvoert. In de jaren daarop kwam ook vast te staan dat de Zayaqu langer is en dat de bron van de Mekong dus gezocht moet worden in het brongebied van de Zayaqu.

Een snijdende hagelstorm barst los als we Renqing’s hoge tent half hebben opgezet. Het zaakje stort in. We vluchten de auto in. Als de bui voorbij is leggen we onze slaapzakken in een lege tent die even verderop staat, achtergelaten door nomaden. Noem het een gelukje. Als we hier op de terugweg langs komen is hij weg.

Renqing blokkeert met zijn jeep de ingang. Dan speurt hij de omgeving af, turend in het donker, schijnend met een zaklamp – zoekend naar tekenen van beren?

Renqing snurkt, hoor ik ‘s nachts van 3.00 tot 6.00.

Mekong expedition – July 9

It’s an uncomfortable ride from Yushu to Zaduo. Bumpy and slow, made so by road works. The accompanying encampments and installations are an eyesore on the grasslands. Two high passes are still beautiful but a tunnel is being dug underneath one of them.

Closer to Zaduo the Mekong, swift and brown-red. Tibetan prayer flags span the river, so do bridges under construction.

Mekong near Zaduo

I meet up with Luciano. He is nearing the end of his eight month walk along the Mekong. We first met on the internet, then in Savannakhet in southern Laos (on the Mekong indeed), and decided to team up to get to the river’s sources.

We meet up with driver Renqing who drove me to Zaxiqiwa last year. That is the most easily accessible source of the Mekong, revered by indigenuous Tibetan nomads for whom this is a spiritual place.

The idea is he will drop us at Zaxiqiwa again. From there we will walk to the Jifu and Guosongmucha sources, about 160 kilometers there and back. Those are higher up and seen as the Mekong’s real sources by the more rationally and scientifically inclined – Chinese, Japanese, westerners.

But we change plan. Renqing says he can get us closer to the sources with his jeep.

It is the bears. Local people warn attacks have occurred, people have died. They simply rip your tent apart. There is no defence. Bears used to stay clear of people when they still carried guns. But the government doesn’t allow that anymore.

‘Don’t worry about wolves’, they add  reassuringly, ‘they don’t do harm to humans’. They are in wild lands, the Mekong’s headwaters.

No doubt the bear threat exists. No doubt too the threat is exaggerated. But I am the worrying type. So we will travel more by jeep. And whenever possible camp near some of the rare nomad encampments where yaks, guard dogs and more people live, and where bears steer clear of.

Mekongexpeditie – 9 juli

Het is een oncomfortabele rit van Yushu naar Zaduo. Het hobbelt en het schiet niet op vanwege wegwerkzaamheden. De bijbehorende kampementen en installaties doen op de fraaie graslanden zeer aan je ogen. Twee passen liggen er nog mooi bij, maar onder de ene wordt een tunnel gegraven.

Dichter bij Zaduo de Mekong, roodbruin en snelstromend. Tibetaanse gebedsvlaggen overspannen de rivier, bruggen in aanbouw ook.

De Mekong nabij Zaduo

Ik zie Luciano weer. Hij nadert het einde van zijn acht maanden durende wandeling langs de Mekong. We ontmoetten elkaar eerst op het internet, toen in Savannakhet in het zuiden van Laos (inderdaad, aan de Mekong), en besloten samen naar de bronnen van de rivier te gaan.

Ik zie chauffeur Renqing weer die me vorig jaar naar Zaxiqiwa reed. Dat is de meest toegankelijke bron van de Mekong, aanbeden door de inheemse Tibetaanse nomaden voor wie het een spirituele plek is.

Het idee is dat hij ons nu weer naar Zaxiqiwa brengt. Dan lopen we verder naar de Jifu en Guosongmucha bronnen, heen en weer ongeveer 160 kilometer. Die liggen hoger en verder stroomopwaarts en worden beschouwd als de werkelijke bronnen van de Mekong door degenen met een meer rationele en wetenschappelijke kijk op de wereld – Chinezen, Japanners, westerlingen.

Maar we veranderen van plan. Renqing zegt dat hij ons met zijn jeep een stuk verder kan brengen.

Het zijn de beren. Lokale mensen waarschuwen dat er mensen zijn aangevallen en gedood. Ze rijten je tent uiteen, je kunt er niets tegen beginnen. Ze waren schuw zolang de nomaden nog geweren hadden, maar dat mag van de overheid niet meer.

‘Maak je geen zorgen om de wolven’, zeggen ze er geruststellend bij, ‘die doen mensen geen kwaad’. Het is een wilde wereld, waar de Mekong ontspringt.

Ongetwijfeld bestaat de dreiging van beren. Ongetwijfeld ook wordt de dreiging overdreven. Maar ik behoor tot het zich zorgen makende slag. Dus we zullen meer per jeep reizen. En als het kan overnachten bij de weinige ver uit elkaar liggende nomadenkampementen waar jaks en waakhonden en groepjes mensen leven, die door beren worden gemeden.

Mekong expedition – July 8

3.00 pm

At Xining airport to change planes. 51 hours and counting. Waiting for check-in in the departure hall, waiting to board in the waiting hall, waiting for luggage after the flight was canceled, waiting for a room in the hotel across the parking lot, waiting nèxt day in the departure hall, waiting in the waiting hall, waiting on the plane (we did board this time), waiting for luggage when the flight was canceled after all, waiting in the hotel, waiting in the departure hall, waiting in the waiting hall.

Waiting exhausts.

And all the while uncertainty when I will fly. Ìf I will fly.

And worries about my acclimatisation to altitude. I reasonably adjusted in recent weeks, but how much harm will the delay do?

5.00 pm

My plane takes off.

When we approach Yushu airport we clear sharp grassland peaks,with white pieces of cloud hanging between the green, and the brown-red Mekong floating below, all of it in the perfect glow of late-afternoon sunlight. I hate myself for leaving my camera in my bag in the luggage compartment  across the aisle, out of reach now that we prepare for landing. Amazing Mekong pictures that I can’t take. And the moment is irrepeatable, not a chance ever to see this again like thìs.

Once landed I reconstruct our approach route and imagine a map, and I realize it wasn’t the Mekong, but just the Yangtse. Relief, the missed photo opportunity doesn’t matter much.