De grandioze architectuur uit de tijd van Angkor Wat. Het gruwelijke
schrikbewind van de Rode Khmer. Cambodja is extreem. De grootsheid van
de tempelruïnes is niet te bevatten. De omvang van de wreedheden ook
niet.
Alsof er geen begrenzing op het volk zit, niet in goeds en niet in kwaads.
Ik was vaak bij Angkor Wat, zag de talloze tempels die daar in de
omgeving liggen. Telkens werd ik gegrepen. Ik was vaak bij de Killing
Fields van de Rode Khmer, en in Tuol Sleng, hun gevangenis en
martelcentrum in Phnom Penh. Telkens huiverde ik.
Cambodja slaat me uit het veld.
Nu wilden reisgenoot en ik naar Pailin en Anlong Veng, enclaves van
de Rode Khmer tot twintig jaar na hun schrikbewind. En naar de afgelegen
Angkoriaanse tempels die verspreid door het noorden van Cambodja
liggen. Daaronder de drie omstreden tempels op de grens met Thailand
waar beide landen recent nog om vochten.
Onverwacht zouden focus op de Rode Khmer en focus op de tempelbouwkunst in één ontmoeting samenvallen.
Op Luang Prabangs busstation rolt een roep backpackers uit een tuktuk. Tis stuitend. Te weinig kleren, opzichtige tatoeages, onfris. Blind voor hun omgeving. Blind voor de bordjes die manen ‘covered’ gekleed te zijn. Wan, die me heeft gebracht, registreert ze ook. Laotianen zeggen niet snel iets kritisch over anderen. Maar als ik begin te mopperen, stemt hij in: ‘Not nice, eh’.
Het is de Thaise bus vandaag – de ene dag de Thaise, de andere de
Laotiaanse. De airconditioning is bar. Ik trek mijn outdoor onderhemd
aan. Ga een stoel verzitten om uit de ijzige tocht te raken.
Ga deze keer naar Cambodja. Eerste doel is Pailin waar we de grens over willen steken, enclave van de moorddadige Rode Khmer tot twintig jaar na het schrikbewind dat ze uitoefenden. Ik wil er al lang heen, de plaatsnaam fascineert me. Voor het hotel in Loei, 600 kilometer van Pailin, staat deze auto. Raar toeval. Bedrijf en regio hebben niets met elkaar te maken.
De chauffeur van de nachtbus naar Bangkok wil er zo snel mogelijk
vanaf. Rijdt te hard. Stopt kort. Komt te vroeg aan. Slaat bij aankomst
de uitstaphalte over en rijdt meteen naar zijn parkeerplaats ergens
achteraf. Geen idee, zo in het donker, waar de uitgang is.
Bewegwijzering ontbreekt. Ik dwaal tien minuten rond. Ik heb busstation
Mochit uit frustratie wel eens ‘Moshit’ genoemd. Maar wind me vandaag
niet op.
Ik vind de hoofdingang en een wachtruimte. Thailand moet het land zijn met ’s werelds hoogste 7 Eleven dichtheid. Ze hanteren ruimere openingstijden dan de naam impliceert. Op mijn koffiebekertje staat ‘Wake up’.
Tegen zessen schudt een bewaakster zachtjes de oude vrouw wat
verderop wakker. Ze vraagt nog wat respijt. Verdwijnt een tijdje met een
handdoekje. Ordent haar spulletjes. Een uur later gaat ze met haar drie
plastic zakken de straten van Bangkok op.
Ik ga mijn reisgenoot van het vliegveld halen. De glazenwassers doden mijn wachttijd.
Een vliegveld is nu eenmaal om te vliegen
We varen over Bangkoks waterweg de Chaophraya. Het rivierleven stelt nooit teleur.
In de tempel waar Thailands boeddhistische patriarch zetelt veel
drukte. Een monnik strooit kleine pakketjes uit over het publiek. Dat
duikt erop af, rolt ervoor over de grond – jolig en bloedserieus
tegelijk. Pepernoten met Sinterklaas. Ballen na een tenniswedstrijd.
Plectrums bij een concert.
A series of trips over the past two years. Lost count. From my pied à
terre in Luang Prabang to Bangkok. To catch a cheap Air Asia flight to
China or a plane to Holland, or to move on elsewhere in Southeast Asia
or meet friends in Bangkok.
It can be done within 24 hours now that the international bus from Luang Prabang to Loei is running – leaving at 8.00 am, changing to a night bus in Loei and getting to Bangkok by 5.30 am. But usually I break the trip in Loei, staying in the same hotel each time, cheap and adequate. Within walking distance from the bus station if I have packed lightly. Which mostly I haven’t. The chargers alone, for laptop, smartphone, spare phone, camera, electric toothbrush, and all the equipment they serve.
Along the way in Laos I watch the Mekong from the bridge near
Xayaboury, and further on the train of concrete trucks from Thailand
heading to the construction site of the dam in the river. I order fried
rice for lunch from the boy in the bus who calls ahead so that food is
prepared when the bus pulls in at the restaurant. I see the small town
of Paklay where one had to stay overnight when the international bus
wasn’t yet running. From here it took five different songthaews and tuktuks
to cover the final 100 kilometers to Loei – fun breezy rides. And I see
the village of Nam Xong where Y. lived, in the alley behind the temple
on the bank of the Mekong. She lives in Thailand now and after crossing
the border and having changed to Thai sim I’m tempted to call.
A few familiar faces among the officials of Lao immigration, and to
some of them I am a familiar face too. No pleasantries at the Thai side,
no unpleasantries either, while customs check luggage.
I usually sleep on the night bus to Bangkok. Upon arrival at Mochit
bus station, too early to go anywhere, I have a long morning coffee,
same stall each time. Then make my way to the Nouvo City Hotel, New
World Lodge before and New World House before that, and I am happy to
meet the long-time staff I have known for many years, some over two
decades.
And while at the subject of Lonely Planet guides: they are children’s books.
Travel is about the unknown and the unexpected, travel is about discovering. But those ‘travel’guides tell you where to go, what to see there, how to get there. You know exactly what awaits you.
Those using those books are tracing the footprints of others: a boy scout’s game. Travel-wise they, well, haven’t grown up. Those having outgrown those guides go their own independent way.
Zeeuws-Vlaanderen, the small southwestern part of Holland along the Belgian border where I was born and grew up, is done away with by Lonely Planet as an irrelevant region of farmland and chemical plants.
Now this is not true. There are some interesting old buildings in the towns of Hulst, Sluis, Aardenburg. There are characteristic tree-lined ‘polder’ dikes. In the half submerged conservation area of Saeftinghe over 200 types of birds have been spotted.
But íf it were true, what’s wrong with farms and factories? A TRAVELLER is curious. He first and foremost wonders what a place is like. Beautiful or not, that matters less. Whether there is ‘something to see’ is a worry of tourists.
And then: a TRAVELLER is open to everything. A cloud in the sky. Furrows in a field. The daily life of the one hundred thousand people living in Zeeuws-Vlaanderen.
At Lonely Planet they don’t understand this essence of TRAVEL.
En nu ik het toch over Lonely Planet gidsen heb: het zijn kinderboeken.
Reizen gaat om het onbekende en het onverwachte, reizen gaat om ontdekken. Maar zo’n ‘reis’gids zegt je voor waar je heen kunt, wat je er kunt bekijken en hoe je er komt. Je weet precies wat je te wachten staat.
Wie met zo’n boek onderweg is volgt de voetsporen van anderen: een padvindersspelletje. Wie zich door zo’n boek laat leiden staat als reiziger in de kinderschoenen. Wie die gidsen ontgroeid is gaat zijn eigen onafhankelijke gang.
Zeeuws-Vlaanderen, land van mijn jeugd, wordt door Lonely Planet afgeserveerd als ‘een onbeduidend plattelandsgebied met boerderijen en een paar chemische fabrieken’.*
Nu is dat niet waar. Er staan een paar mooie oude gebouwen in Hulst, Sluis, Aardenburg. De beboomde polderdijken zijn fotogeniek. In het Verdronken Land van Saeftinghe, buitendijks natuurgebied, zijn meer dan tweehonderd vogelsoorten waargenomen.
Maar áls het zou kloppen, wat is er dan mis met boerderijen en fabrieksschoorstenen? Een REIZIGER is nieuwsgierig. Hij wil vooral zien hóé het ergens is. Mooi of lelijk, dat doet er minder toe. Of iets ‘bezienswaardig’ is, daar maakt een toerist zich druk om.
En dan: een REIZIGER is ontvankelijk voor alles. Een wolk in de lucht. De voren in een akker. Het alledaagse leven van die honderdduizend inwoners van Zeeuws-Vlaanderen.
Van deze essentie van REIZEN hebben ze bij Lonely Planet niets begrepen.
* Zoals geciteerd in NRC Handelsblad van 23 juli 2014
Tourists take their second-hand routes and destinations from guidebooks and tour operators.
TRAVEL IS BASED ON AN IDEA. LIKE FOLLOWING A SPECIFIC ROAD OR RIVER. OR REACHING SOME REMOTE PLACE. OR ZOOMING IN WITH AN ETHNIC OR HISTORICAL LENS. OR JUST MOVING ON RANDOMLY, THAT’S AN IDEA TOO.
Tourism makes no such sense. It combines a couple of ‘things to see’ that have nothing in common other than maybe being located in the same country.
TRAVELLERS ARE CONTENT JUST TO SEE WHAT IT’S LIKE SOMEWHERE ELSE.
Toeristen laten zich hun tweedehands routes voorkauwen door reisgidsen en touroperators.
EEN REIS IS GEBASEERD OP EEN IDEE. ZOALS EEN BEPAALDE WEG OF RIVIER VOLGEN. OF EEN AFGELEGEN PLEK BEREIKEN. OF INZOOMEN MET EEN HISTORISCHE OF ETNISCHE LENS. OF ZOMAAR WILLEKEURIG ROND TREKKEN, DAT IS OOK EEN IDEE.
Een toeristisch parcours heeft zo’n plan niet. Het combineert wat ‘bezienswaardigheden’ die niets met elkaar gemeen hebben dan dat ze misschien in hetzelfde land liggen.
VOOR REIZIGERS IS HET GENOEG TE ZIEN HOE HET ERGENS ANDERS IS.
Tijdens een reisrustpauze vakantie in Canada. Familiebezoek.
De vlucht vanuit Amsterdam biedt prachtzicht op, ongelukkige naam, Groenland. Wordt de kromming van de aarde zichtbaarder naarmate je noordelijker komt?
Later kruisen we de Rocky Mountains. Naar Himalaya maatstaven zijn het de Rocky Hills natuurlijk, maar ze liggen er mooi bij.
De stewardess heeft oosterse trekken, maar is niet van Chinese, Japanse of Koreaanse komaf. Ik breek me het hoofd, en besluit: Inuit.
Appartement in Vancouver’s wijk West End. Levendig, internationaal, eten uit alle windstreken. Dichtbij is Stanley Park, schiereiland met populair fiets- en voetpad er omheen. Langs de oevers in het centrum overal jachthavens. Watervliegtuigjes komen en gaan. Blinkend glas in de wolkenkrabbers. Dakloze drugsverslaafden en mensen die ’s avonds door het buiten gezette vuilnis zoeken zijn er ook.
Iedere reisgids had me dat natuurlijk ook allemaal kunnen vertellen. Maar ik kwam liever onvoorbereid, om verrast te kunnen worden.
Geparfumeerde vuilniszakken.
Elektriciteitspalen zijn boomstammen.
Geen alcohol in supermarkten.
Buitenwijken als in Amerikaanse films.
Een coyote als we ’s avonds de hond uitlaten.
De TV waarschuwing voor coyotes zal dan wel nut hebben. Maar je wordt hier te veel bemoederd.
Helmen zijn voor fietsers verplicht.
Als je een auto start springen de lichten automatisch aan.
In het glas van de buitenspiegel: ‘De auto’s die je in deze spiegel ziet zijn dichterbij dan het lijkt’.
Overal waarschuwingen – struikel niet over de drempel, hou de trapleuning vast, glij niet uit.
Wie nog nooit in een kabelbaan zat kan maar beter hulp vragen aan het personeel als ie het gondeltje instapt.
Als er bij een kinderspeelplaats geen toezicht is wordt daar op een bord op gewezen.
Er bestaat een ‘Vereniging tegen vermijdbare verwondingen’ (de dubbelzinnigheid zal de bedenkers van de naam wel ontgaan zijn):
We nemen veerboten omhoog langs de kust en dan naar Vancouver Island. Je maag gaat draaien van de tarieven, 60 euro voor een auto met twee personen. Op een autodek ruikt het naar de boot naar Kruiningen die er niet meer is, een mengeling van olie, hout en zeewater – vleug nostalgie.
We rijden door ansichtkaarten-Canada. Naaldbos, meren, sneeuw op verre bergen.
Het is me vaak opgevallen dat mensen op reis overeenkomsten zien met plekken die ze op een eerdere reis bezochten, hoewel die overeenkomsten er objectief gezien nauwelijks zijn. Ik noem het privé associaties. De mijne hier: Kham met zijn bergen en naaldbossen. Het meest in het oog lopende verschil natuurlijk: in Kham vormen de inheemse Tibetanen de meerderheid van de bevolking, hier kom je nauwelijks First Nations tegen.
Dagelijks een stop bij ‘Timmy’s’ = Tim Hortons = een soort armelui’s Starbucks = Canadees cultuurgoed. Koffie en esdoornstroopdonuts.
Een boottocht om orca’s te zien is de belangrijkste must, zegt mijn broer. En het is geweldig. We krijgen er een bultrugwalvis bij cadeau.
We lopen door een bos met douglassparren van 80 meter hoog. Genoemd naar de Schotse ontdekker David Douglas die later op expeditie in Hawaii omkwam.
We bereiken de rand van het continent en het bijna verlaten Long Beach. Vanaf hier de Stille Oceaan.